HAGENBEEK

Gepubliceerd met toestemming van de auteur, dr Geurt Hupkes, Hilversum 2007.

 

Rijnlandse landbouwers

 

In 1636 pacht Arndt Hagenbeck een stuk land bij Ruhrort, waar de Ruhr zich in de traag door het laagland slingerende Rhein stort. En dat is alles wat we van deze oervader weten, behalve dan dat hij bij een voor ons naamloze vrouw een jaar of elf eerder een zoon heeft verwekt (wat uiteraard goed nieuws voor ons is) die zijn achternaam draagt. Het lijkt er op dat hij een pachtboer van eenvoudige afkomst is. Anders was hij niet onder zijn roepnaam Arndt, maar onder zijn doopnaam Arnold bekend. Deze Germaanse naam betekent  heersend als een adelaar. 

 

                        

 

                 Eeuwenlang ploegen, eggen en zaaien

             op hoop van zegen van daarboven

 

Ruhrort is vanouds een haventje aan de noordoever van de Rijn, onder Duisburg. In de Middeleeuwen wordt er tol van de scheepvaart geheven en in 1587 ontvangt de plaats stadsrechten. Ongetwijfeld lijden de inwoners onder de gruwelijk wreed gevoerde Dertigjarige Oorlog. Al is het niet persoonlijk, dan toch onder de onophoudelijke vrees voor geweld. Tussen 1618 en 1648 wordt er in Duitsland furieus door vijf buitenlandse legers gevochten: Deense, Zweedse, Spaanse, Franse en Boheemse. De met niets ontziende woestheid door de vorsten gevoerde strijd golft op en neer. Om religieuze conflicten – roomsen tegen protestanten - en om politiek gewin. Honderden steden en dorpen worden veroverd, geplunderd, uitgemoord en in brand gestoken. Ook in het Rheinland.

Eenderde tot tweederde van de mensen in de frontgebieden komt om. De legers leven op de graanvoorraad van de burgers en pas later, na de introductie van de  aardappel in Europa, blijft er niet te stelen voedsel in de akkers over. ‘In de geteisterde streken komt kannibalisme voor. Ouders verslinden hun zuigelingen. Uitgehongerde zwervende bendes snijden nog warme lijken van het galgentouw en bijten het rauwe vlees van het skelet.’ (Manchester) Het is haast een wonder dat de Hagenbecks zulke calamiteuze tijden overleven. Dankjewel dus…   

 

 

Een welverdiende rustdag, om niet te zeggen een drinkgelag, in 1622

 

Waar Arndt’s zoon Rütger rond 1625 is geboren, is onbekend, maar. waarschijnlijk was dat  in een vakwerkhoeve bij Ruhrort, door zijn vader met hulp van buren en familie eigenhandig op de gepachte grond gebouwd van ruw behakte balken, met van wilgentenen gevlochten en met leem aangesmeerde wandvakken en met stro gedekt. Voorin de mensen en achterin de beesten - laten we zeggen: hetzelfde type behuizing dat Geurt Hupkes een dikke eeuw later in Middachtersteeg optrok. De meeste dorpelingen zijn ongeletterd en hun wereld reikt niet verder dan het naburige marktplaatsje.

 

De Hagenbecks uit Beeck

 

Rütger Hagenbeck sterft op 20 juli 1689 in het dorp Beeck op de respectabele leeftijd van ongeveer 65 jaar. Zijn voornaam is van oorsprong tweestammige Germaans: rod (roem) en ger (speer), zeg maar roemvolle speerstrijder. Zijn weduwe,  Öldgen zu Lahr, is een meisje uit de buurt, want Lahr of Laar ligt ook aan de Rijn, vlakbij Beeck, dat trouwens ook als Beek wordt geschreven. Deze twee kernen vormen met Ruhrort al sinds lang een met Duisburg aaneengegroeide stedelijke verklontering. Haar voornaam is afgeleid van Olda of Adelheid en haar achternaam betekent dat ze uit Lahr komt.

 

Beeck ligt stroomafwaarts van Ruhrort nabij de Rijn   (Baedeker 1905)        

Ze zijn 37 jaar getrouwd als hij overlijdt en zij wordt in Beeck begraven op 23 april 1691. Het echtpaar krijgt achter elkaar kinderen: in dertien jaar een tiental, waarvan zeven jongens, allemaal in Beeck geboren. Gezond boerenkroost: er sterft er maar eentje op achtjarige leeftijd. Ze luisteren naar namen als Jan, Willem, Neessken (van Agnes), Trintgen (bij ons Trijntje, van Catharina), Neelken, Hilleken en Michel. Er is ook een Görth, wat toevallig als twee druppels water op mijn eigen voornaam lijkt en eveneens een populaire vorm van Gerhard is. (Zie voor de betekenis van die naam het hoofdstuk Voornamen in Oorspronkelijk Veluwezooms.)       

 

Deze Görth (ca 1654 - 29 oktober1723) trouwt als hij 29 is met Öldgen (of Öltjen) auf der Brüggen  (kennelijk aldaar een populaire voornaam), die hem binnen zeven maanden een kind schenkt – eerder een moetje dan een premature geboorte, want couveuses zijn er nog niet, dus is de kans groot dat een te vroeg geboren baby was gestorven. Dit naar opa vernoemde zoontje Rütger krijgt acht jaar later een zusje, Öldgen.

 

Rütger (18 februari 1686 – 24 oktober 1711, alles in Beeck) huwt op z’n 25ste Anneken Heinges (overleden 27 november 1725) en krijgt bij haar één kind, Wemmer (27 december 1723 – 27 augustus 1802). Hij komt in Beeck ter wereld, waar hij in zijn 79ste jaar ook sterft; zijn naam is tweestammig Germaans en een roepnaam van Wennemar, met de betekenis van beroemde vriend. Twee jaar later overlijdt zijn moeder. Drie jaar daarna hertrouwt zijn vader en krijgt bij zijn tweede vrouw de kinderen Wilhelm en Anna Catrin. Deze halfbroer van Wemmer heeft als beroep stuurman en dat is de eerste vermelde nautische werkkring in de familie. Die tak blijft in Duitsland wonen en Hagenbeck heten.

Wemmer Hagenbeck huwt als hij 29 is Elisabeth (Lissken) Geibels (21 september 1724-1765), die een jaar jonger is en evenals haar bruidegom uit Beeck komt. Zij krijgen vijf kinderen: Jenneken, Rüttger, Evert, Arnt en Anneken. Tien maanden na de geboorte van de laatste baby overlijdt de moeder, slechts 41 jaar oud. Vader Wemmer overleeft zijn vrouw 37 jaar en sterft in 1802.. Hij is de laatste Beecker agrariër in onze bloedlijn.  Wemmer’s oudste zoon Rüttger ondertrouwt tenminste in Wageningen,

overigens met een in Ruhrort geboren meisje en met de vermelding dat zij nog kort tevoren met haar ouders aldaar woonde. De bruidegom woonde eerder al in Arnhem. En in 1800 treedt hij op als getuige bij de doop van een kind van zijn jongere broer Evert in de Zuiderkerk in Amsterdam. Hier is sprake van een voor die tijd uiterst ambulant, dus hoogstwaarschijnlijk varend bestaan. En in die ellendige Napoleontische oorlogstijd moet je maar zien hoe je je redt. 

 

Varen tussen twee landen

 

Van Evert Hagenbeek (12 december 1756 – 23 maart 1831) weten we  helemaal zeker dat hij vaart. Hij, geboren in Ruhrort, zal de brede bochten van de rivier op z’n duimpje hebben gekend. Als het kan lijden, stuurt zijn moeder hem naar de vissersmannen om een verse zalm. Maar liever zwerft hij met z’n broertjes langs de zandige oever van de Rijn. Om de hoge, slordig getuigde, verveloze kasten van schepen te zien, die, met een reusachtig roer in de stroom gehouden, naar Nederland drijven. Of die, opgaand, bij gunstige wind bijgestaan door gehesen zeiltuig, door sloom sjokkende spannen van twee witte ossen naar Keulen worden gezeuld. Leeg door één span, volbeladen door veel meer. Blootvoetse, brutale en gebronsde knapen van hun eigen leeftijd mennen de kolossen op het jaagpad met rauw geschreeuw en knallende zwepen.  Die zijn hun idolen.

 

 

           Een Dorstense platbodem Rijnaak uit de 19de eeuw

 

De meeste aken worden in Dorsten bij Wesel gebouwd. Overnaadse houten schuiten met gaffelzeilen aan een grote en een kleine mast, die niet hoeven te worden gestreken, daar er geen vaste bruggen op de route zijn. Ze hebben ophaalbare zijzwaarden tegen afdrijving, in plaats van een kiel. Zulke platbodems kunnen op zandbanken droogvallen zonder scheef te hellen. Volbeladen spoelt het water door het gangboord. Het schippersgezin woont in een bovendekse kajuit in de midscheeps en de schone was hangt aan een lijn te wapperen. Zo’n vrij rivierleventje lokt Evert, net als zijn broer – het zal best een hard bestaan zijn,  maar dat is het op de boerderij ook en in elk geval opwindender dan de eeuwige, eentonige sleur van het boerenwerk. Onze Evert weet precies wat hij wil.                  

Hij vaart op Nederland. Als internationale schipper woont hij overal en nergens: zijn thuis is zijn schip. Het is overigens goed mogelijk dat hij in loondienst is en voor rekening van een reder werkt. Hij trouwt laat, op 23 juni 1796, als hij 40 is. Het zijn moeilijke, onzekere tijden. Nederland wordt bestuurd door een patriotse regering, nadat het in 1795 in zes dagen door Franse troepen over de stijf bevroren rivieren onder de voet is gelopen. Stadhouder Willem V van Oranje-Nassau vlucht overhaast naar Engeland, uit angst voor het lot van Koning Louis XVI van Frankrijk, die onlangs op de Place de la Concorde in Parijs met de guillotine is onthoofd.

 

Een schippersbruiloft

 

Evert’s jeugdige bruid heet Helena Nusman (12 maart 1775 – 31 augustus 1831), een in Arnhem geboren jongedochter van 21 lentes. Haar ouders Arent Nusman en Dresia van Aalst geven wegens haar leeftijd schriftelijk hun consent (toestemming) tot het huwelijk. Schoonvader Arent is ook varensman en je kunt je voorstellen dat het koppel elkaar aan boord of in een haven heeft ontmoet. In 1818, na de schrale Franse tijd, wordt Arent Nusman benoemd tot beurtschipper van Arnhem op Amsterdam en vice versa. Geen misselijke job: het gaat wel om de handel met de hoofdstad van het Koninkrijk der Nederlanden.

 

 

Zo zagen de stroomafwaarts gaande Hagenbecks de stad Arnhem opdoemen

  

Bij de doop van hun kinderen, die aan boord zullen zijn geboren, vernederlandst Rut zijn achternaam. Adriana Dresia Hagenbeek komt in 1798 in Amsterdam ter wereld,  Rut idem op 15 februari 1800, Hermiena Adriana in 1802 eveneens. Deze drie spruiten worden in de Zuiderkerk gedoopt. Het nakomertje, Arend Nusman, in 1808 in Wageningen; met zijn tweede voornaam wordt de achternaam van zijn moeders familie geëerd. Dit alles wijst op een bestaan van het gezin op de waterwegen tussen Arnhem en Amsterdam. Tijdens de Franse bezetting is er weinig handel en dus verkommert de binnenvaart. Alle import en export met de Britten is verboden en de douane jaagt op smokkelwaar. Geen vetpot voor de schippers.                                                                                                                                                              In 1819 treffen we Evert aan als ligterman in Arnhem. Een lichter is een kleine boot waarin goederen en passagiers tussen de kade en varende of op stroom ankerende schepen worden vervoerd, of van het ene in het andere schip worden overgeladen. Geroeid of onder zeil, als je er maar komt. Op zijn oude dag keert hij terug naar zijn roots en overlijdt, 75 jaar oud in Ruhrort. In de boeken van de Evangelische (protestantse) Gemeinde wordt hij genoteerd als Eberhard. Een half jaar later volgt zijn Helena ( dan op z’n Duits geschreven als Nüssmann) hem in het graf. Haar inwonende moeder sterft drie dagen later. 

 

De oudste zoon Rut (15 februari 1800 – 8 april 1843) volgt in zijn vader’s voetspoor, als je het in dit natte bedrijf zo mag noemen. Het blijkt uit onderstaande notarisakte (nr 23) van 27 februari 1819 uit het Notarieel Archief te Arnhem.

 

De acte van notoriteit

 

Voor ons Mr. Jan Busgers Openbaar Notaris van het Kwartier Arnhem, residerende te Arnhem, Hoofdplaats van de Provincie Gelderland en in tegenwoordigheid van Theodorus Martinus Versluijs winkelier en Bart Bartels herbergier beide wonende binnen Arnhem als Getuigen hiertoe verzogt.

Compareerden Aart de Veer Stuurman, Pieter van Rotterdam Schipper, beide wonende te Arnhem, en Gerhard Kuiltjes Schipper te Groessen aan ons Notaris en Getuigen bekend als lieden volkomen bevoegd tot het afleggen van verklaringen en alle geloof verdienende, welke verklaarden dat Comparanten sedert verscheidene jaren van jongs af aan gekend hebben de schippers Leendert Iurius, Jordan Gores, Hendrik Buchlo en Hendrik Hagenbeek, eerst als schippersjongens, daarna als schippersknegts en vervolgens als stuurlieden. 

Dat opgemelden thans zijn zeer kundige, ervarene en voorzichtige schippers welke sedert lange jaren de rivier den Rhijn met het beste gevolg hebben bevaren, zodat de Kooplieden en Commercie met hun altijd zeer wel gediend zijn geweest; en hunne goederen en koopmanschappen ook alsnog aan hun zeer wel kunnen en mogen toevertrouwen, hetgeen ook algemeen bekend is, en waarom zij Comparanten hiervan deze Acte van Notoriteit [algemene bekendheid] hebben afgegeven onder offerte om deze hunne verklaring des gerequireerd wordende ten allen tijde met Solemnele [plechtige] Eeden te bevestigen.

Gedaan en gepasseerd te Arnhem ten Kantore van voormelde Notaris op de zeven en twintigste Februari achttien honderd en negentien. En hebben Comparanten na gedane duidelijke voorlezing van de minute [origineel] dezes, welke in het bezit en de bewaring van  gemelde Notaris en getuigen voornoemd gelaten.

 

w.g.:

Th. M. Versluijs, B. Bartels, P. van Rotterdam, G. Kuiltjes, A. de Veer, J. Busgers notaris.   

 

Zo’n geschiktheidsverklaring, een door vakgenoten, zo niet huidige of vroegere werkgevers, afgegeven getuigschrift, helpt Rut zonder twijfel vooruit. Dat hij hier per abuis Hendrik wordt genoemd, pleit weliswaar niet voor een nauwe relatie met de aanwezige comparanten, noch voor de zorgvuldigheid van notaris, maar van een persoonsverwisseling is geen sprake. Zijn vader Evert is 59 in 1825 en heeft z’n hele leven geschipperd; die heeft geen aanbevelingen meer nodig. En een Hendrik komt niet alleen dan, maar door de eeuwen heen in de stamboom van dit geslacht niet eenmaal voor (trouwens opmerkelijk voor zo’n populaire voornaam). 

                       

 

                   Een Nederlands beurtschip rond 1800

 

Beurtvaarder op Amsterdam

 

Rut is op dat moment zetschipper – vergelijkbaar met zetbaas - door de eigenaar ofwel de reder belast met de leiding over een schip.

In 1825 wordt hij beurtschipper. Zijn vader’s  schoonvader Arent Nusman van 82 jaar was dat ook en omdat goede connecties in die tijd uiterst belangrijk zijn, zal de aanstelling van Rut niet toevallig zijn geweest. Er moeten natuurlijk wel borgen worden gevonden voor het geval er iets fout liep. Het bedrag van de borgstelling is sinds de aanstelling van Arent Nusman in 1818 onveranderd. Ik citeer de Acte (nr. 247) van Borgstelling van 21 oktober 1825 van notaris Van Eck uit het Notarieel Archief te Arnhem:

 

Voor Mr. Gerard van Eck Openbaar Notaris in het Kwartier Arnhem Provincie Gelderland residerende te Arnhem in tegenwoordigheid van nader te noemen getuigen compareerden de Heeren Frans van Loon bakker in vroeger tijd, tegenwoordig zonder bepaald beroep en Jan Brouwer koopman, beiden wonende te  Arnhem, dewelke verklaarden zich bij dezen te stellen tot borgen en debiteuren, zowel tezamen als ieder van hun solitair voor het [volgt enig onleesbaar notarieel jargon] van RUT HAGENBEEK  hierbij present en deze getekend hebbende, in zijne betrekking als Beurtschipper varende van deze Stad op Amsterdam en vice versa, waartoe hij is benoemd bij Besluit van Hunne Edele Achtbare de Heeren Burgemeester en Wethouderen der Stad Arnhem van Zaterdag den achttienden October achttien honderd en vijf en twintig.

En zal voorschreven borgstelling strekken tot waarborg voor de goede en trouwe waarneming van de gemelde beurtvaart, mitsgaders voor alle ontvangsten en verantwoordingen, zulke denzelve Rut Hagenbeek gedurende de waarneming van dier beurtvaart zal verpligt zijn te doen, alles overeenkomstig de deugdelijk betekende reglementen en ordonnantiën, welke de comparanten verklaren te hunnen genoegen te kennen, édoch alleen tot eene Summa van tweeduizend Nederlandsche guldens ééns en niet verder.

Verklarende dat zij borgen onder dezelfde [onleesbare termen] als boven, waarvoor zij verbinden hunne roerende en onroerende goederen hebbende en toekomende, en kiezen zij tot executie dezes en alle sequellen [gevolgen] van dien domicilie ten huize van Frans van Loon voornoemd.

Gedaan en gepasseerd te Arnhem ten Kantore van den ondergetekende Notaris op heden den één en twintigste October achttien honderd vijf en twintig in tegenwoordigheid van Christiaan Delwig geweermaker en Roelof van Dort kleermaker, beiden wonende te Arnhem, getuigen hiertoe verzogt, welke de comparanten en mij Notaris de tegenwoordige minuut na duidelijke voorlezing hebben getekend, en dezelve onder bewaring van den Notaris gebleven.

 

w.g.:

F. van Loon, J. Brouwer, R. Hagenbeek, C. Delwig, R. van Dort, G. van Eck notaris.

 

Deze borgstelling van 2.000 gulden is dan een zeer aanzienlijk bedrag. Van hetzelfde niveau als de ‘koopsom’ voor de beurtveren tussen Amsterdam en Haarlem, getuigend van een zekere welstand van de veerschippers. Althans van het vertrouwen van de overheid dat zij een redelijk bestaan vonden, zodat ze een eigen risico ter hoogte van de borgsom konden dragen.

 

Het  gezin aan boord

 

Beurtschippers varen vanouds geregeld op en neer op een gepachte route, in tegenstelling tot de wilde schippers die in de vrije vaart pas onder zeil gaan bij voldoende lading. De vertrektijden liggen vast en gevaren wordt er, genoeg lading of niet. Een vroege vorm van openbaar vervoer en te vergelijken met het beroemde net van per paard gesleepte trekschuiten met frequente vaste dienstregeling in de kustprovincies. Maar minder van kwaliteit, want een zeilschip blijft van de waaiende wind afhankelijk. De beurtschipper krijgt van het stadsbestuur een monopolie, maar is aan een  reglement gebonden. Dat bepaalt het maximum aantal toegelaten schepen, de vrachtprijzen en stelt strikte eisen aan de dienstverlening. Hij moet de lading naar behoren, onder goed dicht liggende luiken verstouwen, en daarvan niet nemen, eten of drinken. Die appelen vaart, die appelen eet is voor hem niet weggelegd (Petrejus). Hij vervoert alles, behalve massagoed als graan, zand, baksteen, hout en turf. Stukgoed dus – handelswaar verpakt in kisten, vaten, balen of zakken,  en vee. Plus bagage en verhuisraad.

En passagiers. Die gaan al eeuwenlang niet uit vrije wil, maar uit bittere noodzaak op stap. Wie niet dringend van huis moet, blijft in de eigen veilige en vertrouwde omgeving. Reizen is vermoeiend en gevaarlijk; je weet niet wat je in den vreemde kan overkomen en vreest het ergste. Je kunt mestrekkend geboefte en afzettend herberggespuis verwachten, afgezien van vermoeienis, vervuiling, slecht eten en opgedane luizen. Om over de kosten niet te spreken. Al heeft een beurtschipper gelukkig vaste regels: passagiers mogen niet op de luiken met de benen in het gangboord zitten en de schuit moet bij het aanleggen met twee wallijnen vastzitten. Bovendien moet een ieder ruim gelegenheid hebben om over te stappen.

Later in de 19de eeuw worden deze zeilende lijndiensten door stoomschepen overgenomen, voorzover ze niet zijn opgeheven. Want het dichte net van spoor- en tramwegen geeft door snelheid en stiptheid de doodsteek aan beurtvaart, trekschuit en diligence. Ondanks de veel hogere tarieven, want in de moderne wereld is tijd  geld waard.    

 

Op 25 juni 1827 trouwt Rut met Judith van Dodeweerd (16 juni 1798 - 10 januari 1872), in Dodewaard, dat tussen Nijmegen en Tiel aan de Waal ligt. Zij is 29, hij 27 jaar en de burgemeester van Tiel verbindt hen ‘s morgens op het stadhuis in de echt, waarna het huwelijk ’s avonds in het dijkdorpje aan huize van de bruid door de gereformeerde dominee A. Koppe wordt ingezegend. In hun varend bestaan worden zes kinderen geboren. Van de eerste, Arent, bevalt Judith op 25 juli 1828 aan boord, terwijl hun schuit midden in Amsterdam aan de Kloveniersburgwal is afgemeerd. Everhardus Helenus wordt in 1829 in Arnhem geboren.

Jan Jacob is een verhaal apart. Hij komt stroomafwaarts onderweg op de winterse baren van de Rijn bij Orsoy (zoals de kraai vliegt 10 km onder Ruhrort) op 22 november 1830 ter wereld. Een andere bron noemt echter als zijn geboorteplaats het gehucht Götterswickerhamm (lijnrecht gemeten 15 km verder afgaand). Misschien verwaarloost de kraamheer in de consternatie van de aankondiging van de geboorte en de primitieve bevalling zelf de navigatie stroomafwaarts. En wie zal dat hem kwalijk nemen? Hij had de handen meer dan vol, want het lijkt me sterk dat er een vroedvrouw aanwezig is en vervolgens moet er kennelijk gewoon worden doorgevaren naar Amsterdam, de bestemming van de lading.

De aangifte van de boreling bij de Burgerlijke Stand is daar pas op 19 december gedaan – vier weken na dato. Een kapitein op de internationale binnenvaart kan zich blijkbaar aan de wet onttrekken. Drie dagen na de aangifte wordt de baby gedoopt in de Zuiderkerk – een ons reeds bekend en in de familie vertrouwd en geliefd adres.

                                                                                                                           

     

 

  De Zuiderkerk in Amsterdam

 

Je vraagt je wel af wat een beurtschipper tussen Arnhem en Amsterdam op de Rijn in Pruisen te maken had. Waarschijnlijk was die aanstelling dus inmiddels afgelopen. Dat blijkt ook uit de geboorte van zoon Dirk Sander Arie in 1832. Die bevalling gebeurt rustiger: aan de kade gelegen in het familiale stamoord Ruhrort. Dan komt in Arnhem in 1836 Ruth, die al bij de aangifte op dezelfde dag is gestorven. Na hem verschijnt op 9 augustus 1838 de benjamin. Zijn moeder Judith is dan veertig en uit voorzorg voor een moeilijke bevalling ligt hun schip in Lobith afgemeerd. De zoon wordt opnieuw Ruth genoemd – weliswaar eigenlijk een meisjesnaam, maar bij de Hagenbeekjes handig ter onderscheiding van de vele Rutten.

De kinderen leven geïsoleerd. Naar school gaan ze ongeregeld en vaste vriendschappen aan de wal verlopen moeizaam en zijn wisselvallig. Ze worden als vreemden ervaren. Neem de tekst van een aloud kinderlied:  

 

Alles in de wind, alles in de wind, daar loopt een schipperskind

kom hier Rosa, je bent m’n zusje, je bent m’n zusje

och wat spijt, och wat spijt, nu ben’k m’n zusje kwijt.

 

kom hier Rosa, je bent ’n ander, je bent ’n ander

onder bij die brug, onder bij die brug, vond ik m’n zusje terug

kom hier Rosa, je bent m’n zusje, je bent m’n zusje

kom hier Rosa, je bent m’n zusje, ja-ja 

 

Het belang van de Rijnstroom

 

‘Wie de Rijn in West-Europa recht wil doen, moet zich voorstellen dat hij opgedroogd is, niet meer bestaat. Keulen zou een suf marktstadje zijn, voor vee en groente.’ (Heinrich Böll) Dat klopt. Bovendien was Arnhem een charmant landelijk plaatsje aan de voet van de Veluwe met hooguit wat inlands toerisme, dat in 1944 niet verwoest zou zijn. En stond de grootste haven ter wereld vooral bekend om zijn fameuze Rotterdamse boerenkaas. Ruhrort zou ook niet de vijftien reusachtige insteekhavens van de grootste binnenhaven ter wereld bezitten.

 

   Het stroomgebied van de Rijn    

 

Maar, al is de Rijn dan een eeuwenoude levensader voor tientallen miljoenen mensen, de natuur biedt zo’n weldaad niet gratis aan. De rivier is ‘een stille reus die onverwacht en grondig vernietigend kon toeslaan.’ De winters in het laagland hebben voor de aanwonenden niets idyllisch. Er zijn rampzalige dijkbreuken, waarvan er in een paar decennia rond 1800 alleen al zes massale, afgezien van de vele kleinere overstromingen en angstige weken waarin de dijken het wassende water ternauwernood keren. De schade is telkens enorm en bovendien moet de bedijking wegens aanhoudende aanslibbing van de rivierbedding tegen hoge kosten periodiek worden verhoogd.(Van ’t Woud) Niettemin weet de uitloop van de onbetrouwbare Alpenrivier  zich in onze delta talloze malen te verleggen.

Op hun beurt kampen de schippers met stilliggen bij lage waterstanden in de zomer en vastvriezen in de winter. Vadertje Rijn, die grillige en vaak onbevaarbare despoot, wordt pas in de 19de eeuw door kostbare doorgravingen in Gelderland gedwongen om zijn wateren in de gewenste verhouding over de Waal, de Nederrijn en de IJssel te vergieten. 

IJs en weder dienende, dat wel. In Arnhem ‘was de stand van de rivier in 1857 zoo laag als niemand zich herinneren kon. Enkelen liepen zelfs met baggerlaarzen beneden de schipbrug naar de overzij.’ In 1855 passeert precies het omgekeerde. ‘Bij zware ijsgang steeg het water tot 13,91 m + NAP. Zoover het oog reikte, was het eene ijszee, waarboven een enkele boomtop heen en weer wiegelde.

De waardsman (opzichter van de uiterwaard voor de Sabelspoort), bijgenaamd “schele Jansen”, wilde bij het rijzen der rivier zijn huisje niet verlaten; reeds had hij met zijne hoog bejaarde vrouw en eenig vee den zolder, die voor zulke gevallen ingericht was, betrokken, toen zij met geweld uit hunne woning werden gehaald. De huizen aan de Rijnkade en aan de Eusebiusbuitensingel waren door bekisting tegen het water beschermd. In maart brak pas het ijs. Spookachtig verhieven zich de zware ijsschollen, om onder knetterend geknerp, glinsterend en schitterend in het bleeke maanlicht, soms loodrecht in de hoogte, om dan met een krakenden smak neer te vallen en schurend en krassend den loop der rivier te volgen.’(Markus)

 

Als ze tenminste niet de steenhard bevroren dijk inschuiven, met alle kansen op een dijkbreuk. In de 17de eeuw vriezen de grote rivieren gemiddeld om de vier jaar dicht en treedt er bovendien om de vijf jaar ijsgang op. We zijn dan in de barre Kleine IJstijd, met aanzienlijk lagere wintertemperaturen dan tegenwoordig, die tot het midden van de 19de eeuw aanhouden.

 

 

           De (geplande) binnenhavens van Ruhrort in 1905

 

De technologische innovatie van de binnenvaart dendert sindsdien meedogenloos door. In het millenniumjaar 2000 lift Geert Mak mee op de Marla, de parel van de reder, honderdtien meter lang. Er staan 114 containers voor zijn neus, hoog opgetast boven het dek. Er zitten auto-onderdelen en elektronica in, en verhuisspullen van een Zwitser die naar Japan verhuist. De stuurhut ziet er uit als de kruising tussen een kantoor met computerschermen en een vliegtuigcockpit. Het stuurrad is ineengeschrompeld tot een metalen knopje. De radio kraakt en zingt de hele dag. Schipper Jasper vaart enkel op de vlekken en lijnen van de kleurenradar. “Mijn grootvader was van 1893,” vertelt hij, “een roef vol kinderen, houten schepen, alles nog op het zeil. Om één uur ’s nachts wakker worden; hee jongens, er is weer wind, varen! Mijn vader is zelfs nog als scheepsjager begonnen, met een grote Belgische knol zeilschepen stroomop slepen.”

Der Heini, een grijze rivierloods, klimt bij Bingen aan boord. Hij spreekt een mengeling van Duits en Nederlands, de oude taal van marskramers en hannekenmaaiers, de taal ook van de rivier. “Mijn vader kon niet tegen die mist,” zegt hij,  “toen we een groot modern schip kregen, met radar en alles, was het dag en nacht doorvaren. Mijn broer en ik hadden daar geen probleem mee, maar vader beende maar heen en weer door de stuurhut. Een schip varen terwijl je niets kon zien, dat ging tegen alles in. Hij is er kort daarna mee gestopt.”’       

 

Met noodlottige afloop

 

Ook de Hagenbeeks zijn al generaties lang een roerig volkje. Maar op een gegeven moment zijn Rut en Judith het zwervende bestaan zat en kiezen ze voor de vaste wal. Gespeeld zal ook hebben dat de kinderen dan normaal naar school kunnen. Schipperskinderen worden vaak voor dom gehouden, omdat ze weinig schools onderwijs genieten. Rut komt in overheidsdienst terecht als Rijnloods in Laag Millingen, pal aan de Duitse grens. Een ter plaatse goed bekende varensman als loods aan boord is kennelijk door de verzandingen, met verraderlijke ondiepten, droogvallende banken en een telkens onverwacht verschoven veilig stroombed, onmisbaar.

 

 

 Historische Rijntakken met hun bedijking en de verleggingen (1885)

 

En dan slaat het noodlot toe: op 8 april 1843 verdrinkt hij bij Lobith. Zijn lijk wordt meegesleurd en spoelt pas drie jaar later aan, 15 km verderop, in de afsplitsing van de IJssel uit de Rijn bij Westervoort. Mist hij het slingerende  touwladdertje bij de woelige opstap uit de loodssloep? Slaat hij overboord in een zware bui, of door de schok van een aanvaring of een onverwacht vastlopend schip? Hoe het fatale ongeval gebeurt weten we niet. Wel, dat je verzuipt als je niet zwemt en dat die onnatuurlijke voortbeweging niet één, twee, drie is aan te leren (onze Mas kreeg bijvoorbeeld ongeveer vijftig uur les en haalde zijn diploma na een jaar ploeteren). Diep en roerig water is levensgevaarlijk en redders zijn schaars. Nog een wonder dat Rut’s vergane overblijfsel wordt herkend. Door zijn echtgenote? Aan lappen kleding of schoeisel, aan merktekens op het lichaam? Droeg hij misschien, als de vissers op zee, een ringetje in het oor? Een trouwring? Identificatie met DNA bestond nog niet. Een raadsel.  Maar zulke ongelukken komen geregeld voor.         

 

‘In 1826 deed de eerste stoomboot (met in de midscheeps aan beide zijden een hoog en breed schoepenrad), die eene geregelde vaart tusschen Arnhem en Rotterdam zou openen, een feesttocht, waarbij een aantal burgerlijke en militaire autoriteiten met hunne dames waren uitgenodigd. Zij stoomde onder het spelen van luchtige muziek voorbij de stad Arnhem, aangestaard door duizenden stedelingen en vreemdelingen, die zich genietend langs den oever hadden geschaard. Op het landgoed Hulkensteijn, bewoond door mevrouw de douairiëre Brantsen, begroette men de boot vanaf het terras met klein kanonvuur, terwijl het gezelschap, meest kinderen, de feestgenoten van verre toewuifde; nauwelijks was dit op de stoomboot opgemerkt, of er begaven zich drie heeren in een bootje naar den wal met een uitnodiging om aan boord te komen. Bij het terugkeren had een der heeren de verregaande baldadigheid, het bootje aan het waggelen te brengen, zoodat het kantelde, omsloeg en al de opvarenden te water raakten.

Met het noodlottige gevolg dat mevrouw Brantsen, twee kinderen van den burgemeester Weerts, de kolonel Kuyk van de 13de afdeling infanterie en de wethouder Van Rappard voor de oogen van honderden toeschouwers verdronken. Men stond als versteend het ongeval aan te staren. Niemand was er op bedacht, hulp te bieden; algemeen was later de opinie dat althans mevrouw Brantsen zeker te redden ware geweest, daar zij op hare zware zijden japon, die zich uitgespreid had, nog een eind de rivier was afgedreven.’ (Markus)

 

De Hagenbeeks aan vaste wal.

 

Judith, Rut’s weduwe, overleeft haar man 29 jaar en overlijdt in Arnhem. Hun oudste zoon is vijftien en de jongste vijf als zij hun 43jarige vader aan de Rijn verliezen en drie jaar in tragische onzekerheid leven voordat ze hem kunnen begraven. Ik kan me voorstellen dat de catastrofe van invloed op hun beroepskeuze is – als ze zelf al varensgezel willen worden, zal hun moeder hen wel gesmeekt hebben, aan wal te blijven, want één keer in haar leven is genoeg. Hoe dan ook, haar zonen blijven op het droge en in Nederland. Na drie generaties is het natte avontuur over en uit. Je kunt alleen maar hopen dat Rut tijdens de uitoefening van zijn plicht omkomt en zijn weduwe en wezen enige uitkering van het Rijk ontvangen.

 

De drie jongens slagen als zelfstandig ondernemer, zoals hun vader per slot ook begon. De oudste wordt eerst papiermaker op een windmolen in Deventer, trouwt een meisje uit Eerbeek waar toevallig ook veel papier wordt gefabriceerd, en staat later als fabrieksdirecteur te boek. De tweede wordt brood-, koek- en banketbakker in de Vijzelstraat in Arnhem en de jongste, Ruth (9 augustus 1838 – 7 januari 1919) kruidenier in de Bakkerstraat en later in de Ketelstraat in Arnhem. Hoe hij een eigen zaak financiert weten we niet, maar het gaat dan in de middenstand vaak zo dat een veelbelovende en vertrouwde winkelbediende, als eigen bloedverwanten voor de opvolging ontbreken, de zaak overneemt. Met de verplichting van een vaste uitkering bij leven aan de voorganger op diens oude dag. De generaties lang schipperende Rheinlandse Hagenbecks zijn nu definitief op de Nederlandse vaste wal ingeburgerd.

 

 

Mijn overgrootvader Ruth Hagenbeek (1838), Arnhem jaren 1880

 

De winkeliers vestigen zich in de voornaamste winkelstraten van de zich snel ontwikkelende Gelderse hoofdstad (in de Ketelstraat doet winkelruimte anno 2004 de hoogste huur in Arnhem en staat daarmee op de achtste plaats in het land). Ik denk niet dat zij vervolgopleidingen genoten; het zijn mensen van de praktijk. Om je staande te houden moet je goed uit het hoofd kunnen rekenen en, al is de klant koning, teveel op de pof verkopen doe je niet. Ze hebben ook zo hun principes: de broers gaan op een gegeven moment niet meer met elkaar om wegens, volgens de overlevering, hun uiteenlopende christelijke beginselen.

Streng of laks in de leer zijn, kan in die tijd familiebanden radicaal afkappen. Ruth is van huis uit nederlands hervormd, van de grote kerk dus, maar gaat om zijn aanstaande vrouw over naar de lutheranen. Die kerkeleden hebben het image van eenvoudige afstammelingen van Duitse landverhuizers, wat Ruth’s ambitieuze broers kan hebben gestoken. Of er meer achter de verwijdering steekt, blijft in het midden. Is er sprake van een religieus doekje voor het bloeden en speelt er in wezen onaangename omgang tussen schoonzusters of zakelijke onmin tussen de mannen?        

Ruth trouwt op 1 juli 1863 Johanna Engelina Berger (25 september 1840 – 30 mei 1914) van 23 lentes en zoals gezegd evangelisch-luthers van geloof.. Ze is in Arnhem geboren en getogen en zal er haar leven lang wonen. Een uiterst vruchtbare verbintenis. Het echtpaar verwekt in zestien jaar niet minder dan negen kinderen. Zes meisjes en drie jongens.

 

Winkels op eerste stand

 

Er komen achtereenvolgens Aleida, Rut, Johanna Engelina (die na negen maanden overlijdt), een uit piëteit vernoemde tweede Johanna Engelina, dan Johan Melchior, nogmaals een Johanna Engelina (zodat ook haar zusje heel jong zal zijn gestorven), Aleida Henriëtta Elisabeth, Arend (boekhandelaar in Zutphen) en tenslotte Johanna Maria Clasina. Zij worden opgevoed in de gestrenge leerstellingen van Maarten Luther..

 

     

 

Ruth(70) en Johanna Berger-Hagenbeek(68), Arnhem 1908.

Haar uiteraard zwarte japon is geborduurd met honderden kraaltjes 

 

Mijn grootvader Rut (17 juli 1865 – 24 februari 1939) begint als jongste winkelbediende in de kruideniersbranche, maar lang duurt dat niet.

 

De loteling

 

In 1885 gaat hij als loteling in militaire dienst – de krijgsmacht kan maar een deel van een volledige jaargang twintigjarigen gebruiken en bepaalt elk jaar bij lot wie de klos is, pardon – wie de eer geniet ‘s Konings wapenrok te dragen. Vermogende ouders kunnen overigens een ingelote zoon legaal uitkopen door een remplaçant volgens het gangbare  tarief te betalen om als vervanger te dienen. 

Rut wordt voor Eerste Oefening ingedeeld bij het in zijn woonplaats gelegerde 8ste Regiment Infanterie, 4de Bataljon, 1ste Compagnie en ontvangt een Persoonlijk Zakboekje, dat tot mijn vreugde nu in mijn bezit is. Een pocketboekje van 44 pagina’s, genaaid in een beschermend blank lederen omslag, dat met een leren snoertje wordt gesloten. Een reliek.

 

‘Een reliek maakt rechtstreeks, fysiek contact met het verleden mogelijk: ik raak aan wat hij heeft aangeraakt. Mijn ogen zien wat zijn  ogen zagen, mijn vingers voelen wat hij kon voelen. Niet alleen een steunpunt van het geheugen, maar ook van de emoties. De reliek belichaamt het verleden. Geeft ons de intieme zekerheid dat we voortkomen uit de duur van de tijd en dat het verleden in ons voortleeft. Maakt het verleden tastbaar.’ (Frijhoff)  Jaja, kijk es aan. Daarom maak ik dus deze boeken.

 

De tijd van de goedkope pasfoto’s is nog niet aangebroken, zodat er naast namen en data een beschrijvend signalement wordt ingevuld. Dat van milicien (dienstplichtige) Rut Hagenbeek, met stamboeknummer 77701, luidt aldus:

 

Lang                                        1 meter,  6 decimeter,  8 centimeter,  4 millimeter

Aangezicht                              rond

Voorhoofd                              laag

Oogen                                     blauw

Neus                                       gewoon

Mond                                      idem

Kin                                          rond

Haar                                       blond

Wenkbrauwen                        idem

Merkbare teekenen                 geene

Heeft de kinderziekte gehad in 18..     (niet dus, welke overigens?)

Gevaccineerd in 18..               66

Gerevaccineerd in 18..                        85

Gezindte                                 Luthersch

Vroeger beroep of ambacht    winkelbediende

 

Zo´n in een keurige, regelmatige schrijfhand weergegeven portret bezit toch weinig onderscheidend vermogen. Het Zakboekje bevat daarnaast Bepalingen en voorschriften  waarvan de kennis voor ieder militair onmisbaar is.

 

Over de ondergeschiktheid

 

De eerste alinea bestaat uit één zin: ‘Zijne Majesteit de Koning begeert dat bij alle korpsen eene trapsgewijze ondergeschiktheid worde onderhouden, welke, zonder iets van hare kracht te verliezen, zacht en vaderlijk zij, en, op rechtvaardigheid en standvastigheid gegrond, alle onderdrukking uitsluit, terwijl zij de ondergeschikten tot het waarnemen hunner plichten aanhoudt.’ 

Toe maar, een openingsschot van 42 woorden. Het liegt er niet om; zelfs dagbladen voor hoogopgeleiden als NRC/Handelsblad of de Volkskrant zetten dat de lezertjes niet voor.

Communicatief kan het nog  erger. De tweede zin bestaat uit een nog oeverlozere woordenbrij: ‘De Koning wil dat de soldaten met zachtheid en menschlievendheid worden behandeld, dat hun nimmer onrecht worde gedaan, dat zij in hunne meerderen, in alle opzichten, welwillende voorgangers vinden; dat de straffen, welke sommigen hunner mochten verdienen, overeenkomstig de wet worden toegepast, en dat  de officieren hen leiden, besturen en beschermen met die zorg en belangstelling, welke zij verschuldigd zijn aan mannen, van wier dapperheid en gehoorzaamheid zij een gedeelte van hun roem te verwachten hebben.’

        

Je moet maar het lef hebben te denken dat je zo begrijpelijk overkomt bij kersverse rekruten, waaronder hele en halve analfabeten. In deze stijl gaat het nog bladzijdenlang voort: over de eerbewijzen; de onderscheidingstekenen; de tijdelijke ontzegging van het recht tot het dragen buiten dienst van den sabel of de bajonet; de handhaving van de openbare orde en het misbruik van sterke drank. Aan de beruchte Pruisische Kadaverdisziplin – volstrekt willoze gehoorzaamheid aan het bevel van elke meerdere in rang – doen deze moeilijk leesbare teksten niet denken. Eerder aan een tamelijk humaan militair regiem, in ruil waarvoor zonodig namens de majesteit – in het landsbelang dus – een bloedoffer kan worden verlangd. 

 

  

 

      Een infanterist van 1885 kent dit soort liederen uit zijn hoofd

 

Rut is bewapend met een korte sabel en een geweer model 1868 met bajonet, in de administratie genoteerd met het reknummer 114. Hij valt kennelijk als ambitieuze dienstplichtige bij zijn meerderen in positieve zin op, want wordt na een half jaar tot milicien korporaal bevorderd en vijf maanden later tot milicien sergeant. Elf maanden daarna zwaait hij met Groot Verlof af; zijn Eerste Oefening van bijna twee jaar zit er dan op – toch heel wat als je nagaat dat dienen niet vrijwillig was, maar door het blinde lot aangewezen. Anderhalf jaar later wordt hij opgeroepen voor een herhalingsoefening van een maand, en in 1889 nog eens voor twaalf dagen. Dan is het duurste van zijn 42 kledingstukken, de kapotjas voor de winter, die voor 12,24 gulden in de boeken staat, blijkbaar zo versleten dat hij door de kleermaker wordt gekeerd. Dat kost Rut fl 1,20. Tegelijkertijd wordt hem voor het aanbrengen in de jas van het nieuwerwetse  ‘zakje voor verbandpakje’ 18 cent berekend.    

 

Bewijs van goed gedrag

 

Er staan geen andere belangwekkende aantekeningen in zijn zakboekje. Geen bijzondere prestaties in ‘het schijfschieten, gedane veldtochten, bekomen wonden, uitstekende daden of verleende eeretekenen.’ Wel nog twaalf gortdroge bladzijden administratie over het debet en credit van zijn uitrusting, sluitend op een uitkering door het Rijk van 30,54 ½  gulden. Tja, de boekhouding moet tot op de halve cent kloppen. Een soldaat geniet 32 cents dagelijksche soldij; een korporaal 43 en een sergeant 80 cent. Zij ontvangen ook dagelijks een ration tarwebrood, wegende 0,6 kilogram en zijnde van uitstekende hoedanigheid.

 

 

       Rut’s ontslagdocument uit militaire dienst, Arnhem 1892

Deze verstrekkingen blijken niettemin naderhand te schamel. In 1898 is tenminste ‘den toestand van den minderen militair belangrijk verbeterd, zowel wat de kazernering, als wat soldij en verpleging betreft. Dan geven geheel belangeloos beheerde kantines den soldaat ook in de kazerne een gezellig verblijf, waar hij zich voor zeer weinig geld versnaperingen van goede qualiteit en gepaste genoegens kan verschaffen. Het gedeelte der soldij dat als zakgeld kan worden beschouwd is verdubbeld, terwijl de voeding thans van Rijkswege geschiedt en zeer goed mag worden genoemd.’(Ritter)  Waarschijnlijk bezocht Rut in zijn tijd na afloop van de dienst dikwijls het ouderlijk huis voor bijvoeding en een behoorlijk sterk bakje koffie.

 

Op marsen (met volle bepakking) wordt op commando opgewekt gezongen, want dat loopt lekker. Ongetwijfeld ook het - hierboven reeds gedeeltelijk vertolkte - Marschlied uit 1870 (Zangbundel), waarvan het wel uiterst martiale derde couplet luidt:

 

Komt ooit de vijand naken;

is ‘t Vaderland in nood,

dan staan wij pal en blijven het

getrouw tot in den dood.

Hoezee! Hoezee!

Voor ’t Vaderland hoezee!

Ja, Nederland, wij allen zijn

U trouw tot in den dood.

       

De mannen mochten eens vergeten wat de bedoeling was, als het puntje bij het paaltje komt. Rut heeft dat niet hoeven meemaken.

 

In 1892 wordt zijn dienstplicht administratief afgesloten. Hij wordt gepasporteerd met een officieel en door de regimentscommandant ondertekend voorgedrukt en per persoon ingevuld biljet waarin deze hem ‘paspoort verleent wegens beëindigde militaire diensttijd.’ Dat bewijs dient tevens als Getuigschrift van Goed Gedrag, aangezien ‘de Commanderende Officier bij dezen verklaart dat de milicien Sergeant Rut Hagenbeek zich gedurende zijn diensttijd goed heeft gedragen.’ Waarvan akte.  

 

 

         De sergeant Hagenbeek, R. gedroeg zich goed

 

De dienstplicht wordt door weinig jongelieden met animo aanvaard. Wie dienen moet heeft pech en dat wortelt in de historie. In de 17de en 18de eeuw laat men bij voorkeur buitenlandse beroepssoldaten voor zich vechten en het inhuren van een betaalde plaatsvervanger in de 19de eeuw versterkt nog het stempel van maatschappelijke minderwaardigheid van de dienst aan het vaderland.(De Jong) En dat terwijl in veel andere Europese landen het nationalisme hoogtij viert en de dienstplicht als eervol wordt beschouwd. Na Wereldoorlog I ontstaat bovendien de beweging van het Gebroken Geweertje onder het motto Nooit Meer Oorlog en pas in en na de Tweede Wereldoorlog leeft het respect voor onze krijgsmacht op.  

 

Kruidenier in de Ketelstraat

 

Vijf jaar later trouwt Rut, na de ouderlijke zaak in het pand Ketelstraat 18 te hebben overgenomen. Men woont boven de winkel in koffie, thee, koloniale- en grutterswaren, die door de Arnhemse elite ook per telephone No. 963 op geavanceerde wijze te bestellen zijn en door de loopjongen per fiets met boven het voorwiel een grote vierkante rieten mand (van wilgentenen) aan huis worden bezorgd. Het perceel is niet zo breed maar wel diep, met achter het huis de koffiebranderij met eigen toegang in een steeg.

 

 

Het even sierlijke als revolutionaire tafeltelefoontoestel van de marktleider, de Zweedse firma Ericsson, 1895

 

Het branden maakt de koffieboon bros en maalbaar, ontplooit het typische aroma van koffie en de donkerbruine kleur. Het gebeurt in een draaiende trommel, waar tot 200 graden verwarmde lucht doorheen wordt gezogen. Het proces vereist nauwkeurig en vakkundig toezicht, want te kort branden geeft rauwe gedeelten in de boon en te lang veroorzaakt een branderige, platte smaak. Zeker is de werkplaats doortrokken met de scherpe, (althans voor mij) niet onaangename geur van het brandingsproces, die ook doordringt in winkel, woonhuis en naaste omgeving. De soorten koffie worden gemengd tot melanges van verschillende kwaliteit en prijs, met als doel merkvorming door de fabrikeur. Het meest wordt koffie als boon verkocht en thuis pas vlak voor het zetten met een handmolentje gemalen, omdat eerder gemalen koffie dan niet vacuüm verpakt is en dus snel geur verliest.  

De stedelijke distributie van levensmiddelen wordt, vóór de opkomst van de supermarkt met een integraal assortiment na de Tweede Wereldoorlog, door een veelheid van speciaalzaken beheerst. Er zijn bakkers, banketbakkers, leveranciers van tabakswaren en van comestibles (fijne eetwaren en dranken), drogisten, groenteboeren, melkboeren, kaasboeren, visboeren, petroleumboeren, slagers, poeliers, slijters (een beperkt aantal en alleen aan 16jarigen en ouder) met gemeentelijke vergunning, om het gebruik van sterke drank thuis in te tomen, krantenkiosken en winkels voor boeken en schrijfwaren. Daarnaast kledingzaken, schoenenwinkels, garen en bandzaken en winkels in allerlei huishoudelijke artikelen en diensten, zoals juweliers en fotografen. Al deze familiebedrijfjes worden gerund door man en/of vrouw, met eventuele bijstand van oudere kinderen en soms van een bediende of winkeljuffrouw. Dit eenvoudige winkeltype sneuvelt geleidelijk aan het gemak voor de huisvrouw van one stop shopping voor alle boodschappen, gecombineerd met de opkomst van grote winkelcentra met vestigingen van (inter) nationale detailhandelketens met uniform assortiment, voldoende parkeerplaatsen, krachtige reclamecampagnes en goedkope weekaanbiedingen, om niet te spreken van onweerstuitbaar attractieve branchevreemde artikelen.      

 

 

 

De advertentie van 1908 vermeldt de eerbiedwaardige oprichtingsdatum

 

Kruidenier Hagenbeek slijt naast koffie ook die andere populaire opwekkende genotmiddelen uit tropische oorden: cacao en thee. Mogelijk mengt hij diverse soorten van de gedroogde, zwart geworden theeblaadjes tot speciale eigen melanges om zich bij de consument te profileren. Tot de koloniale waren horen verder specerijen als smaakmakers voor soepen en vlees: kruidnagels, peper, foelie, nootmuskaat en kerry. Er is vanille en kaneel voor in puddingen en gember in blauwgroene Chinese potten, als toetje met dunne room gesprenkeld. En er is rijst en rietsuiker. Verder doet hij in de aloude inlandse grutterswaren: peulvruchten als bruine en witte bonen, erwten, linzen en capucijners, tot en met vogeltjeszaad. Verwerkt ook tot allerlei vlokken en grutten voor havermout, griesmeelpap, gortepap en roggepap. Voor een stevig ontbijt of naspijs, die staat in de maag.

 

 

Vrolijk met extreem hoge gelegenheidshoeden van de fotograaf poserend vriendenfuifclubje – Rut(30) eerste rij rechts, Wageningen 1895

Rut trouwt op 5 mei 1897 in Doesburg met  Johanna (Ans) Neeb, geboren in die stad op 14 maart 1874  (zie over haar eerdere leven het hoofdstuk Neeb). 

 

 

  Ans Neeb en Rut Hagenbeek sturen op hun huwelijksreis in 1897 aan

  familie en vrienden een ansicht uit schilderachtig Duitsland

 

De bruid is 23 jaar en de bruidegom 32. Het echtpaar woont boven de zaak in Arnhem en krijgt drie dochters. Hun oudste is mijn moeder Gerharda Berendina (Adi) die op 28 augustus 1898 wordt geboren en naar haar grootmoeder Japing van moederszijde wordt vernoemd. De middelste is Johanna Engelina (Lien) van 1901, vernoemd naar haar grootmoeder van vaderszijde. En de jongste is Dorejetta Margaretha (Jetty) van 1904, vernoemd naar haar tante Dorejetta Margaretha Neeb.   

 

             Ans(25) met baby Adi (14 maanden), 1899

 

Naast de detailhandel bedrijft hun vader ook groothandel met de in zijn branderij bewerkte koffiebonen. Hij levert aan winkels in de regio, die hij bezoekt met proefmonsters en zo wordt Hagenbeek’s koffie volgens de familiale legende bekend in de hele Achterhoek. Het is lucratieve negotie, al moet hij het soms hard spelen, want in 1902, 1903 en 1904 klaagt hij bij de Arnhemse Arrondissementsrechtbank wanbetalende schuldenaren aan. Hij vindt de groothandel interessanter werk dan thuis achter de toonbank de klanten helpen, en de meesterknecht kan de branderij wel aan.

 

 

 

     Jetty(3), moeder Ans(33), Adi(9) en Lientje(6), Arnhem 1907

 

             

 

Portret van de meisjes Hagenbeek ter gelegenheid van de Koperen    Bruiloft van hun ouders, Arnhem 1909

Rut breidt zijn marketing naar Duitsland uit, waarbij hij zijn Rheinländische Abstammung vast niet onvermeld laat. Bij deze zakenreizen per trein en stoomtram horen maaltijden en overnachtingen in herbergen en hotels. Naar huis brengt hij dure lappen zijde mee, waarvan de huisnaaister voor vrouw en dochtertjes japonnen maakt. In de Eerste Wereldoorlog moet het Duitse Rijk door de blokkade van de Britse vloot aan de Ersatzkaffee. De overzeese handel van het neutrale Nederland blijft echter gedeeltelijk overeind. Rut’s grensoverschrijdende relaties blijken dan onverwacht een goudmijn, want zijn waar wordt tegen woekerprijzen – niet uit het schap maar van onder de toonbank – verkocht.  Hoe de smokkellijn precies loopt, weten we niet, al lijkt het me sterk dat Rut zelf bij nacht en ontij met een zak echte Kaffeebohnen op de schouder langs onbewaakte bospaadjes over de grens sluipt. Feit is, dat er bij de gevangenis Scheveningen een omvangrijk barakkencomplex voor veroordeelde smokkelaars wordt gebouwd. De 600 cellen dienen in Wereldoorlog II als `Oranje Hotel` nog voor verzetstrijders.

 

 

Drie Arnhemse meisjes

 

  Mijn moeder bezoekt evenals haar twee zusjes de Hogere Burger School HBS met vijfjarige cursus, wat dan voor meisjes uitzonderlijk is. Het betekent dat hun ouders, die zelf minder onderwijs genoten, ongewoon moderne opvattingen hebben en ook dat ze zich financieel de vervolgopleiding kunnen permitteren. De dochters moeten hogerop, niet achter de toonbank, hooguit in noodgevallen bijspringen, denk ik. Rut aspireert duidelijk naar betere status en huwelijkskansen voor zijn kroost.  Laten we wel zijn, zijn schoonvader Derk Neeb was in Doesburgse kringen een aanzienlijk man en moeder Ans zal dat zonodig best hebben laten gelden. Adi speelt tennis en in het schooltoneel en is lid van de debatingclub; dit alles in gemengd mannelijk/vrouwelijk gezelschappen. Normaal voor ons, maar dat haar opvoeding in die tijd bijzonder vrij is, blijkt uit Het Boek voor Moeder en Dochter, een veelgelezen adviesboek uit 1906.

 

‘Een dochter uit den middenstand wordt na volbrachten leerplicht niet naar de fabriek gezonden, maar wordt onder het oog der moeder voorbereid op de zware taak die haar in de toekomst wacht. Zou zij door omstandigheden toch in eene gevaarlijke omgeving moeten werken,’ dan staat haar het volgende te doen:

1. Wees uiterst voorzichtig om Uwe eer en deugd niet te verliezen. Waak en bid. Vertoef nooit, onder geen voorwendsel, alleen met een persoon van het andere geslacht. Waarschuw terstond Uwe ouders of oversten, wanneer iemand Uwe onschuld belaagt.

2. Neem niet deel aan gesprekken tegen geloof of goede zeden, doch laat door Uw stilzwijgen en Uwen ernst blijken dat zulke taal U mishaagt.

3. Keer van Uw werk terstond en zonder omwegen naar huis, in gezelschap van eene goede vriendin. Ga in Uwen vrije tijd niet langs de straten slenteren en nog minder Uw vermaak zoeken in herbergen of danshuizen.

4. Wees thuis Uwe moeder behulpzaam in het inrichten der huishoudelijke bezigheden. Leg U toe op de nuttige handwerken, de kookkunst enz. om van alles op de hoogte te komen van wat van eene vrouw gevorderd wordt. ’t Is immers niet genoeg om een handvol geld thuis te brengen, gij moet ook denken aan Uwe toekomstige roeping.’

 

En waar bestond die roeping dan wel uit?

 

‘Een goede huisvrouw is voor alles godsdienstig, want zij is er van overtuigd dat aan Gods zegen alles gelegen is. Zij koestert eene oprechte liefde jegens haar man, tracht op alle mogelijke wijzen hem het leven aangenamer te maken en zijn zorgen te verlichten. Zij is onbaatzuchtig en onderdrukt gaarne hare eigen wenschen om de zijne te volbrengen. Zij is geduldig en weet de fouten van anderen te verdragen en te verschoonen; en wanneer de huiselijke vrede dreigt verstoord te raken, weet zij wijselijk te zwijgen.  

Zij is oprecht en openhartig; voor haren man heeft zij geen geheimen en openbaart hem de reden van hare droefheid, onrust of gejaagdheid, uit vrees de wederkerige liefde en den vrede in gevaar te brengen.Zij is zachtmoedig. Haren man erkent en eerbiedigt zij als het hoofd des huisgezins. Zij wil niet altijd het laatste woord hebben en is inschikkelijk bij verschil van mening.Zij is altijd opgeruimd. Daardoor brengt zij leven en gezelligheid in huis. Om haar mond speelt steeds een blijde lach en bij al haar zwoegen en zorgen zingt zij een vroolijk lied.

Een goede huisvrouw is daarbij vlijtig en handig. Nergens toeft zij liever dan in haar huis, haar koninkrijk. Zij is ordelievend en weet hare bezigheden met overleg te regelen. In een ordelijk huishouden moet alles zijn bepaalde plaats hebben, zelfs het kleinste voorwerp; de speld zoo goed als de kookketel, de schoenen zoo goed als de oliekruik. Zij verstaat de kunst om door wijze spaarzaamheid met weinig middelen goed huis te houden. Waar zindelijkheid is, heerst levenslust en gezelligheid. Wil de vrouw haren man en hare groote kinderen des avonds afhouden van de drank [in de kroeg], dan zorge zij dat hare woning en zijzelve kraakzindelijk en daardoor aantrekkelijk zijn. Dat is toch zoo moeilijk niet. Een eenvoudig werkkleed of huisjapon, een flinke voorschoot, goed zittende pantoffels, netjes opgemaakt haar en een vriendelijk gezicht, ziedaar  alles wat noodig is om er netjes en proper uit te zien. 

Eene goede huisvrouw is ’s morgens het eerst het bed uit en ’s avonds kruipt zij als laatste achter het bedgordijn, met het zalig bewustzijn haar dag goed besteed te hebben.’

 

Oeff! Een eeuw geleden was het enige recht van een vrouw het aanrecht. Maar Adi Hagenbeek begint redelijk geëmancipeerd aan het leven, en daar mogen we opa Rut en ma Ans dankbaar voor zijn. We zullen zien, hoe het uitpakt. 

 

 

HBS klas 2B, knappe Adi(15) met hoed vooraan zittend tussen twee leraren, Arnhem 1913

 

 

Tegen zeewind en zonneschijn huur je beschermende manshoge strandstoelen van gevlochten wilgentenen - een gebruind gelaat verraadt dat men in de buitenlucht zijn brood verdient en dus hoort tot de arbeidersklasse of de boerenstand.  De dames tot aan de voeten in wit katoen, met kapjes of brede beschuttende strooien hoeden; de heren in stemmig donker driedelig kostuum met hoog gesteven wit linnen boord en zwart strikje of das. Het hoofd bedekt met pet of frivole strohoed. Decorum, daar draait het om. Men weet hoe het hoort. Hoe het dermate degelijk uitgedoste voorgeslacht de hitte doorstaat vragen we ons maar niet af. Gauw de schaduw in dus, voor koele pils en limonade. Aan de andere kant, waren zij toen grote temperatuurverschillen gewend; ook aan felle kou in huis, waar alleen beneden werd gestookt.

 

 

Strandvakantie, Adi eerste rij tweede van rechts, Katwijk 1916

 

Adi’s eindexamenklas telt zestien leerlingen, waarvan vijf meisjes, wat veel is. Het mondeling examen wordt na het schriftelijke eind juli 1918 in drie dagen in de HBS te Zutphen afgenomen Haar cijfers voor de maar liefst dertien vakken waarin ze wordt geëxamineerd, laten zien dat de alpha-kant haar sterke is; het gemiddelde is precies 6,0 (voldoende) en daarmee komt ze over de streep.

 

 

Natuurkundeles van klas 5A, Adi tweede rij geheel links, 1918

  

 

 

Bloedverwanten of naamgenoten?

 

Tot nu toe ontmoetten we alleen onze eigen Hagenbeeks, van laten we zeggen de binnenschipperstak. Zij horen tot het topje van een ijsberg van geslachten Hagenbeek, Hagenbeck, Hagenbeeck, Hagenbeeck genoemd Gruyter, en Hagenbeuk. En, natuurlijk niet te vergeten, von Hagenbeke. Over hen allen is zeer veel bekend en          in 2002 gepubliceerd in het particulier uitgegeven boekwerk De Ridders von Hagenbeke en hun naamgenoten. Het telt 437 pagina’s, is met talrijke illustraties verlucht en voorzien van een index van maar liefst 743 persoonsnamen. Voorwaar een indrukwekkende prestatie, vormend ‘een verzamelwerk van historische en wetenschappelijke akten, parentelen en wetenswaardigheden over een periode van 850 jaar.’

 

Ik laat gaarne Cees Hagenbeek te Bussum aan het woord. Hij is een verre neef van mij en heeft net als ik stamvader Arndt Hagenbeck in Beeck, die in 1636 land in Ruhrort pachtte. Ik ben hem veel dank verschuldigd voor zijn noeste spitwerk, dat tot een praktisch complete stamboom van onze ‘schipperstak’ leidde. Hij is voorzitter van het enthousiast familie-onderzoek bedrijvende Hagenbeek Verbond, waarin verder Willem te Winschoten, Gerard te Capelle a/d  IJssel en Ton Hagenbeek te Doetinchem zitting hebben. Op 12 juni 2004 is in kasteel Huis Bergh in ‘s Heerenberg een familiedag gehouden.  Cees houdt een inleiding: 

 

In 1967 begon ik aan een fascinerende hobby: genealogie. Het laat je nooit meer los. Met een Duits klinkende achternaam was ik nieuwsgierig, hoe het allemaal in elkaar zat. Al gauw kom je veel naamgenoten tegen en wordt de puzzel steeds groter en gecompliceerder. Contacten met naamgenoten ontstonden en na een paar jaar werd duidelijk dat het verleden zich concentreerde in Oost-Nederland en direct de grens over richting Münster. Uit onze contacten ontstond in 1993 het Hagenbeek Verbond, dat ten doel heeft de kennis over de verschillende familietakken te bundelen en zoveel mogelijk bekend te maken. ( ) Zo vond ik aanwijzingen over een riddermatige familie Hagenbeeck. De Hoge Raad van Adel te ’s Gravenhage gaf hierover uitsluitsel. Het wapen van de familie von Hagenbeke is van een middeleeuwse eenvoud en schoonheid.’

 

Dat wapen bestaat uit een schuin gesteld schild met drie gouden ringen op een rood veld, waarvan twee naast elkaar bovenin en één in het midden eronder. Het helmteken is daarvan een herhaling, waarbij het schild rechtop staat. Merkwaardig is, dat het Verbond dit geslachtswapen automatisch aan alle huidige Hagenbeeks toekent, wat echter alleen gerechtvaardigd is bij bewezen bloedverwantschap. 

 

Ton Hagenbeek hierover: ‘Rond 1700 woonden er in Duitsland, in Borken (aan de overkant bij Winterswijk), Düsseldorf en Duisburg tientallen Hagenbeken en daaruit stammen de takken die we in Nederland terugvinden. Er moet nog veel archiefonderzoek verricht worden om na te gaan of al deze takken Hagenbe(e)ck echt verwant zijn en hoe zij zich precies tot elkaar verhouden. Het is goed denkbaar dat mensen die op de bijbehorende boerderijen of op de burcht gewerkt hebben zich daarnaar genoemd hebben. Voorbeelden daarvan treffen we aan in de Achterhoek, waar drie boerderijen “Hagenbeek” zijn te vinden. Hier woonden boeren, die zich (al in de 14de en 15de eeuw) naar de hoeve noemden.’

 

Een haag langs een beek

 

De oorsprong van deze benaming ligt in de locatie. Een beek waarlangs een haag werd geplant, wellicht ter bescherming van akkers en pluimvee tegen overzwemmende roofzuchtige dieren. Een situatie die in het oosten des lands geenszins uniek is. Het zou mij daarom erg verheugen, maar tegelijk buitengewoon verbazen als de bloedband tussen alle takken alsnog kan worden aangetoond. Dat zou werkelijk een wonder zijn, gezien de in de mist van het verleden doodlopende sporen die de vier samenwerkende genealogen op hun jarenlange speurtocht  aantroffen.

 

Naar mijn idee is het door de verbondenen volhardend hopen op de ontdekking van die ene en ultieme oervoorzaat, al is het nog zo loffelijk, een beetje tegen beter weten in. Het is als met de queeste naar de Heilige Graal: of die werkelijk bestaat is onduidelijk, maar waar hij ook is, we zullen hem vinden! Alleen al de speurtocht loont de moeite van de ware gelovigen – ik herken dat streven uit mijn vergeefse onderzoek naar de ouders van Sander Höpkes. Er bevinden zich overigens volgens de Hagenbeeks tot nu toe niet ontgonnen oeroude bronnen in het bisschoppelijk archief in Münster. En het blijft natuurlijk theoretisch niet onmogelijk dat een nog te ontdekken von Hagenbeck het voorvaderlijk slot verliet, zich elders vestigde, zijn adellijk voorvoegsel vergat en een burgerlijke loot aan de stam stichtte.  

 

Persoonlijk denk ik toch dat we met een multinaam van doen hebben, van pak weg een half dozijn niet verwante families - qua omvang niet te vergelijken met onoverzichtelijke oceanen van achternamen als Bos, van Dijk, van der Meer, van der Zee, om niet te spreken van Bakker, Smid, Jansen en de Jong. Jammer dan. Het heeft geen zin de gegevens, hoe interessant ook, van de naamgenoten te detailleren, omdat ik schrijf over de rechtstreekse voorouders van Marius Arthur Hupkes. Ik beperk me tot de recensie van de Hagenbeekbijbel in het kwartaalblad Genealogie van het Centraal Bureau voor Genealogie.

 

‘De auteur presenteert een aantal stambomen met de verschillende versies van de naam Hagenbeek, die slechts in enkele gevallen aan elkaar gerelateerd kunnen worden. Als eerste is er de riddermatige familie von Hagenbeke uit Dorsten, sinds de dertiende eeuw met bezittingen in onder meer Nijmegen, Zutphen, Ruurlo en Barchem. Een tweede familie is Van Hagenbeek geheten die Gruter die in de vijftiende en zestiende eeuw in Doetinchem woonde, met enkele leden die er het schepenambt bekleedden. Andere genealogieën spelen zich af rond boerderijen met die naam in Ruurlo en in Barchem in de Achterhoek, verder in Borken, Beeck en Ruhrort in Duitsland met nakomelingen onder meer in Rotterdam en Arnhem. Tenslotte is er een familie Hagenbeek sinds het begin van de achttiende eeuw in Utrecht, later ook in Nederlands-Indië (en nu in Vlaanderen). Daarnaast zijn er nog steeds Hagenbecks in Duitsland en ook in Zweden.’ 

 

In Duitsland niet veel, overigens. Daar zijn maar 45 telefoonaansluitingen op de naam Hagenbeck, voornamelijk in Hamburg en in steden in Nordrhein-Westfalen. Een slinkend geslacht. In ons eigen land staan op dit moment 188 Hagenbeeks in het telefoonboek   

 

De immer Duitse Hagenbecks.   

 

Die naam is wel heel oud. Komt het eerst voor in 1150 als versterkt huis aan de Lippe bij de stad Dorsten, meer precies in het dorp Holsterhausen in Westfalen (in het topje van het Ruhrgebied). In 1217 wordt in een akte een riddergeslacht met die naam vermeld. De boeren daar waren heel arm wegens misoogsten op hun zandgrond. Bij het dorp woonde de adellijke familie von Hagenbeck, ook geschreven von Hagenbeke, aan wie de boeren hand- en spandiensten verleenden en als belasting tien procent van hun oogst afstonden, zoals toen gebruikelijk was. Daartegenover stond dat zij in tijd van oorlog of bij ander gevaar – zoals hongerige wolven en rovend gespuis - met hun vee in de veilige burcht onderdak en bescherming vonden. Terecht: het kasteel was door de boeren, die lijfeigenen waren, met eigen handen gebouwd. ( ) Later verarmde de familie en het verhaal gaat dat de wilde jonkvrouw Jutta met haar gewapende ongure bende doortrekkende kooplieden overviel en uitplunderde. Na het huwelijk van haar oudere zuster Woltera met de vrome en vlijtige Wennemar von Heyden keerden echter de orde en de welvaart in de burcht spoedig terug. In 1443 kreeg Holsterhausen dankzij hem een eigen pastoor.

 

 

   Schloss Hagenbeck an der Lippe, 1640

 

Goed, zo gaat de vertelling tientallen bladzijden door, over gewichtige functies en akten van eigendom, adellijke huwelijken en aristocratische wapenschilden. Prachtige lectuur, maar ik stop ermee. Laten we wel zijn: het is niet ons soort mensen. En in 1500 is het nobele sprookje uit. ‘Heinrich von Hagenbeck is, voorzover tot nu toe bekend, de laatste van zijn geslacht in de mannelijke lijn’ (cursivering van mij, GH). Met zijn dood sterft de achternaam uit. Het bezit wordt geërfd door de familie von Heyden. Thans is nog een gerestaureerd deel van de kasteelgebouwen te zien. 

       

Ook is de achternaam bekend van het gelijknamige Circus en het Tierpark in Hamburg. Dat hoofdstuk begint in 1848, als vishandelaar Gottfried Hagenbeck in Sankt Pauli als reclame voor zijn bedrijf in een passend vochtige leefomgeving zes zeehonden exposeert. Zijn zoon gaat in de bredere dierenhandel en diens zoon opent een dierentuin. Sinds 1887 treedt Carl Hagenbeck met een per trein reizend circus in de Europese hoofdsteden en de USA op; vooral zijn leeuwendressuur is beroemd. Hij beperkt het vermaak van het geëerd publiek niet tot woeste of tenminste uitheemse dieren, maar stelt ook complete primitieve gezinnen in exotische klederdracht uit Lapland, Nubië en Groenland ten toon. Gewoon aapjes kijken. In 1943 wordt de dierentuin, met de hele binnenstad van Hamburg, door een gruwelijk bombardement uit de lucht verwoest. Na de oorlog opgebouwd, gaat het nu volgens de reclamefolder om Europa’s schönster Park.

 

                            

 

               Circus Hagenbeck op tournee in de USA

 

Nog steeds een familiebedrijf – al is het niet van de onzen. Althans niet dat ik weet. Maar de hardnekkige genealoog Cees Hagenbeek, nu met pensioen, laat het er niet bij zitten. Hij zoekt naarstig door naar missing links en ik wens hem alle succes.     

 

© dr Geurt Hupkes, Hilversum 2007